Tweede generatie, tweede rang

 

De diepe barst

België is zowat het meest mislukte migratieland in de rijke wereld. Met die stelling trok Ive Marx, hoogleraar en columnist van deze krant, aan de alarmbel. Hij hoopt op een ‘volwassen debat zonder idiote hyperbolen’, maar met cijfers. Dat wil De Standaard voeren met de reeks ‘De barst’. Hoe diep is de barst tussen nieuwkomer en autochtoon? Hoe doen de nakomelingen van migranten het? En wat is de maatschappelijke prijs die we voor de kloof betalen?

Verberght, Matthias (2018) Tweede generatie, tweede rang, De Diepe Barst, in: De Standaard, 05.02.2018, pp. 8-9.

In tegenstelling tot in onze buurlanden slagen migranten­kinderen er nauwelijks in de door hun ouders opgelopen welvaartskloof te dichten. Dat geldt zeker voor die van Noord-Afrikaanse en Turkse origine.

In bijna geen enkel ontwikkeld land doen migranten het slechter dan in België (DS 3 februari). Hoewel ook hun nakomelingen belemmerd zijn door de precaire opvoedingssituatie die daaruit voortvloeit, kan van hen wel verwacht worden dat ze met minder handicaps aan de start komen: minder taalbarrières, lagere drempels in het onderwijs en een betere kennis van de arbeidsmarkt.

Die redenering gaat in onze buurlanden grotendeels op, maar voor België is dat veel minder het geval, met name voor kinderen van ouders die buiten de Europese Unie zijn geboren. Niet alleen de eerstegeneratiemigranten zijn minder actief op de arbeidsmarkt dan in onze buur­landen, ook hun nakomelingen. En de kloof vergroot, blijkt uit een zeldzame vergelijkende studie in opdracht van de Nationale Bank.

Minder hoogopgeleid

In Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk gaat de tewerkstellingsgraad van de tweede generatie tussen 20 en 44 jaar er ten opzichte van hun ouders significant op vooruit. In België is dat bijna niet het geval. Zo ligt de werkzaamheidsgraad van eerstegeneratiemigranten van buiten de EU in ons land op minder dan 60 procent, wat ook het geval is voor hun kinderen. Autochtone Belgen in die leeftijdscategorie halen zowat 90 procent.

Die trend wordt bevestigd in een rapport van december vorig jaar door de FOD Werkgelegenheid en het gelijkekansencentrum Unia. Bij kinderen tussen 20 en 29 van ouders die geen EU-nationaliteit hebben, steeg de werkloosheid tussen 2008 en 2014 tot bijna 30 procent. Ook in andere categorieën van tweedegeneratiemigranten steeg dat cijfer, in ­tegenstelling tot bij hun autochtone medeburgers.

Dat de tweede generatie achterophinkt, ligt vooral aan ons onderwijs, dat er niet in slaagt verschillen weg te werken. In de meeste van onze buurlanden is het aantal hoogopgeleiden bij de eerstegeneratiemigranten van buiten de EU lager dan bij de tweede. Maar in België is slechts een vijfde van de tweede generatie hoogopgeleid, tegenover bijna 30 procent van de eerste. ‘Ouders van tweedegeneratiemigranten zijn vaak laagopgeleid en voeren laaggeschoolde jobs uit’, zegt Dries Lens (UAntwerpen). ‘Dat heeft in België een rechtstreekse invloed op de onderwijskansen.’

Volgmigratie

Onderling bestaan er grote verschillen tussen migranten van de tweede generatie. Zo doen personen met een origine in Noord-Afrika en het Midden-Oosten het minder goed dan gemiddeld. Hun opleidingsniveau ligt lager en de tewerkstellingskloof met mensen met enkel Belgische voorouders is groter.

De lage scholingsgraad bij de eerstegeneratiemigranten van Noord-Afrikaanse en Turkse origine zet zich door bij migranten uit de tweede generatie, blijkt uit de studie van de Nationale Bank. Meer dan 40 procent van de autochtonen is hooggeschoold, terwijl dat bij Turkse en Noord-Afrikaanse tweedegeneratiemigranten respectievelijk 13 en 23 procent is.

 

Een deel van de verklaring kan gezocht worden in het type migrant dat vanuit die landen naar België komt. Het gaat grotendeels om volgmigratie die niet gericht is op het vinden van werk. Bovendien zijn vele migrantenpopulaties met die origine geconcentreerd in grote steden, waar een baan vinden moeilijker is.

 

Sommige onderzoekers wijzen ook naar culturele verschillen als verklaringsgrond. ‘Vele nieuwkomers sluiten zich op in een eigen netwerk, met weinig kans op opwaartse mobiliteit’, zegt Marc De Vos (UGent, Itinera). ‘Ook trouwen personen binnen bepaalde islamitische gemeenschappen veel vaker dan gemiddeld met iemand van het land van origine, voor wie het integratieproces telkens opnieuw moet beginnen.’

Ouderenzorg

Ook andere wetenschappers geven aan dat cultuur een rol kan spelen. ‘Alleen: de invloed van cultuur is erg moeilijk te meten, want niet kwantificeerbaar’, zegt Grete Brochmann, een Noorse specialiste internationale migratie.

‘Cultuur kan bepalen waarom personen van de tweede generatie met een bepaalde achtergrond het minder goed doen,’ beaamt ook Ive Marx (UAntwerpen), ‘maar niet waarom we het dan zo veel slechter doen dan bijvoorbeeld Nederland, dat een migrantenpopulatie met gelijkaardige profielen heeft. Daarom moeten we opletten met culturalistische verklaringen. Structurele factoren zijn veel belangrijker.’

Zo wijst Marx opnieuw naar Nederland voor ouderenopvang. ‘Bij ons vinden relatief weinig moslims de weg naar zorgtehuizen en wordt er binnen de familie – meestal door de vrouw – voor ouderen gezorgd. In Nederland is er wel meer ingang naar de institutionele opvang. Daar hebben ze zich dan ook aangepast, met flexibiliteit op het vlak van bijvoorbeeld voedingsvoorschriften of feestdagen.’

Morgen: gekleurde ongelijkheid en haar maatschappelijke prijs.

 

Een derde van buitenlandse origine

Van de actieve beroepsbevolking (18 tot 64 jaar) zijn drie op de tien personen in België, of iets meer dan twee miljoen mensen, van ‘vreemde origine’. Dat zijn mensen die geen Belg zijn of niet de Belgische nationaliteit hadden bij hun geboorte, maar ook mensen van wie één van de ouders een vreemde nationaliteit heeft of bij de geboorte had. Een groot deel van hen zijn migranten van de tweede generatie. Van nog eens goed een half miljoen inwoners kan de origine niet precies bepaald worden. Meer dan de helft van de personen van vreemde origine heeft wortels in een EU-land. De andere grote groepen zijn: mensen met roots in de Maghreblanden (329.000), uit kandidaat EU-landen (188.000), voornamelijk Turkije en uit Afrika (153.000), bij wie veel Congolezen. (mv)