Waarom België het slechtste integratieland is

De diepe barst

België is zowat het meest mislukte migratieland in de rijke wereld. Met die stelling trok Ive Marx, hoog­leraar en ­columnist van deze krant, aan de alarmbel. Hij hoopt op een ‘volwassen debat zonder idiote hyperbolen’, maar met cijfers. Dat wil De Standaard voeren met de reeks ‘De barst’. Hoe diep is de barst tussen nieuwkomer en autochtoon? Hoe doen de nakomelingen van migranten het? En wat is de maatschappelijke prijs die we voor de kloof betalen?

MIGRATIELAND BELGIË

De recente geschiedenis van België als migratieland voor niet-Europeanen begint bij de ‘gastarbeiders’ die in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw uit vooral Marokko en Turkije werden aangetrokken. Hoewel er later officieel een migratiestop kwam, telde in 2016 de totale Belgische bevolking – meer dan 11 miljoen personen – 1,8 miljoen mensen die niet geboren zijn in ons land. Dat is zo’n 16 procent. Over die groep gaat de eerste aflevering van deze reeks. Hun aandeel, dat in een kwarteeuw verdubbelde, is één van de hoogste van Europa. Slechts een klein deel van die groep zijn erkende vluchtelingen.

In 2015, het jaar dat gekenmerkt werd door een internationale vluchtelingencrisis, kreeg meer dan de helft van de nieuwkomers van buiten de Europese Unie hun verblijfstitel voor ons land op basis van het recht op gezinshereniging, en zo’n 15 procent als vluchteling. Slechts een tiende bestond uit arbeidsmigranten, terwijl in de hele EU werk en familie elkaar als motief in evenwicht houden. De relatief kleine groep van transmigranten die geen asiel aanvragen, komt niet voor in de statistieken (mv)

Verberght, Matthias (2018) Waarom België het slechtste integratieland is, in: De Standaard, 03.02.2018, pp. 14-17.


In haast geen enkel ander ontwikkeld land blijkt de kloof tussen nieuwkomers en personen die wel in het land geboren zijn, zo groot als in België. Wat begint bij opleidingsachterstand, leidt tot een slechte positie op de arbeidsmarkt, en ten slotte vaak tot armoede.

1 De scholingskloof vergroot

‘De meest bepalende factor voor de maatschappelijke positie van migranten is onderwijs’, stelt Grete Brochmann, een Noorse professor internationale migratie. In de meeste West-Europese landen is de scholingsgraad van de migranten die instromen, veel lager dan het gemiddelde. Dat geldt bij uitstek voor België. Op Oostenrijk na is in de hele EU het verschil tussen het aantal laagopgeleide nieuwkomers en het aantal laagopgeleide autochtonen nergens zo groot. In 2016 hadden vier op de tien nieuwkomers in België van buiten de EU geen of een lage opleiding op actieve leeftijd (zie grafiek). Alleen Zuid-Europese landen als Griekenland en Italië scoren slechter.

Bovendien blijkt uit onderzoek dat de scholingskloof vergroot. Het opleidingsniveau van in België geboren personen nam de afgelopen jaren toe. In 1995 had een kwart van de autochtonen een diploma hoger onderwijs, vijftien jaar later al meer dan één op de drie. Het aantal hoogopgeleide migranten blijft al bijna twintig jaar op een kwart steken. Omgekeerd daalde het aantal autochtone schoolverlaters zonder diploma sinds 1995 met de helft, terwijl dat bij de migrantenbevolking op bijna 50 procent blijft. Ook scoort België slecht in het (tijdig) erkennen van buitenlandse kwalificaties, waardoor een deel van het menselijk kapitaal onderbenut blijft.

‘De kloof dreigt nog uit te diepen’, zegt Frédéric Docquier (UCL), die de scholingsniveaus van nieuwkomers vergeleek in de periode tussen 2010 en 2015, en vroeger. ‘Die laatste golf is minder gekwalificeerd.’ Veel heeft te maken met de landen van herkomst van de migranten. De meesten van hen komen naar België via volgmigratie (zie inzet), waarbij selectie nauwelijks mogelijk is.

Het Vlaamse onderwijs slaagt er niet in de kloof te verkleinen, integendeel. Dat blijkt uit de Pisa-resultaten, waarmee de Oeso het onderwijsniveau bij vijftienjarigen tussen verschillende landen vergelijkt. In het recentste Pisa-onderzoek (uit 2015) scoren leerlingen met buitenlandse herkomst – een cijfer dat ook migrantenkinderen van de tweede generatie bevat – voor wetenschappelijke geletterdheid liefst 82 punten lager dan hun leeftijdsgenoten die hier geboren zijn.

Zelfs als de sociaaleconomische verschillen tussen beide groepen worden weggelaten, blijft de kloof veruit de grootste van de hele Oeso. De mindere prestaties hangen sterk samen met het watervalsysteem. TSO en vooral BSO, waarin migrantenkinderen oververtegenwoordigd zijn, scoren een stuk slechter dan ASO-richtingen.

Veel academici pleiten voor een opheffing van het hiërarchische onderscheid, zeker bij jonge leerlingen in het middelbaar. Ook de vaak toegepaste praktijk van zittenblijven en de concurrentie tussen de netten, die elk verschillende leerlingenprofielen aantrekken, worden als oorzaak genoemd.

 

 

 

Een laatste maar uiterst belangrijke factor is de kennis van de landstaal. Ook daarin scoort België belabberd. Samen met Nederland, Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk deelt de Oeso ons in bij de landen met een lange migratietraditie die laagopgeleide migranten aantrekken. Van die landen halen we de meeste migranten binnen die op actieve leeftijd zijn en die geen van de landstalen spreken.

België is van alle Oeso-landen ook het land waar migranten zich, ten opzichte van autochtonen, het vaakst in grote steden vestigen – wat een vlotte integratie bemoeilijkt. Van alle EU-landen is bij ons de kloof het grootst tussen hier geboren jongeren (15 tot 29 jaar) die niet tewerkgesteld zijn noch een opleiding volgen – één op de tien – en hun allochtone lotgenoten – bijna één op de drie.

2 Dubbel zo vaak volledig werkloos

Het is logisch dat migranten het moeilijker hebben om in de arbeidsmarkt te integreren dan wie in België geboren is. Velen hebben (nog) geen goede taalkennis en ook sociale netwerken of begrip van onze arbeidsmarkt ontbreken. Alleen: die achterstand wordt nauwelijks ingehaald.

De zwakke scholing van migranten heeft rechtstreekse gevolgen voor hun positie op de arbeidsmarkt. Migrantengezinnen zijn dubbel zo vaak volledig werkloos als autochtone gezinnen. De werkzaamheidsgraad van personen geboren buiten de EU is in België de laagste van de hele Unie, en de kloof met autochtonen behoort tot de grootste (zie grafiek). Dat heeft te maken met het feit dat een heel kleine minderheid van de migranten naar België komt met werk als motief. Liefst 41% van de niet-EU-burgers die in België woont, leeft in een huishouden waarin geen enkel gezinslid op actieve leeftijd het afgelopen jaar meer dan een vijfde van de tijd werkte. Geen enkel ander Europees land komt nog maar in de buurt.

Er spelen verzwarende factoren. ‘België trekt meer migranten aan van landen waar de participatie van vrouwen laag ligt’, zegt Docquier. Eens hier aangekomen evolueren migrantengezinnen maar traag naar een klassiek mannelijk kostwinnersmodel, laat staan naar een tweeverdienersmodel, waarin vier op de vijf autochtone gezinnen zich bevindt. En het zijn net vrouwen die het meeste potentieel hebben om de groei in werkzaamheidsgraad te stimuleren.

Zeker in huishoudens met kinderen blijken vrouwen weinig te werken. ‘Wanneer migrantenvrouwen kinderen krijgen, stromen ze iets vaker uit naar inactiviteit en werkloosheid, al zijn de verschillen met vrouwen van Belgische origine beperkt’, zegt Karel Neels (Universiteit Antwerpen), die onderzoek deed naar het fenomeen. ‘Hun arbeidsmarktpositie is vooral al zwak, lang voor het gezin uitbreidt. Vaker dan bij autochtonen werken migrantenvrouwen onregelmatige uren, wat het vinden van kinderopvang bemoeilijkt. Ook hun sociaal ­netwerk, dat kan dienen voor opvang, is beperkter, met name bij de eerste generatie. Bovendien zijn hun jobs vaker tijdelijk en deeltijds, waardoor ze moeilijker rechten opbouwen voor zwangerschaps- of ouderschapsverlof. Of ook culturele verschillen meespelen, zoals de visie op de rol van de vrouw, valt niet uit te sluiten, maar is moeilijk af te leiden uit de beschikbare gegevens, aldus Neels.

Maar ook mannen die niet in ons land geboren zijn, hebben een aanzienlijke handicap op de Belgische arbeidsmarkt. ‘Onze economie is sterk gericht op activiteiten met een hoge toegevoegde waarde en een hoge productiviteit’, zegt Ive Marx (UAntwerpen). ‘Mensen die niet de juiste kwalificaties hebben, staan heel zwak.’

Het segment van laagbetaalde werknemers, gedefinieerd als zij die minder dan twee derde van het mediaanloon verdienen, is in België minder dan 4 procent groot, aldus Marx. In Nederland is dat 15 procent, in Duitsland bijna 20. ‘De VS, bijvoorbeeld, zijn net als wij een immigratieland, maar hun hele sociaaleconomische architectuur is erop ingesteld om mensen zonder veel opleiding een plaats te geven.’

Dat er weinig ruimte is voor laagbetaalde arbeid, heeft veel te maken met de collectieve manier waarop lonen in België grotendeels worden bepaald. ‘Cao’s leggen voor elke functie vast aan welke kwalificaties de werknemer moet voldoen, vaak om een hoger loon te legitimeren.’ Die collectieve loonzetting geldt ook voor mensen die niet aangesloten zijn bij een van de vakbonden, in tegenstelling tot in Duitsland, aldus Marx. Ook de hoge Belgische loonkosten, eveneens voor laagbetaalde werknemers, spelen mee.

Migranten komen zo meer dan gemiddeld in precaire, slecht beschermde jobs terecht, zoals tijdelijk, deeltijds en interimwerk. Ook zijn ze oververtegenwoordigd in Brussel, waar de algemene tewerkstellingskansen lager liggen. Bovendien, zijn alle experts het eens, speelt ook discriminatie een belangrijke maar moeilijk te meten rol.

3 Voor de helft dreigt armoede

De armoedekloof tussen migranten van buiten de EU en autochtonen is enorm. De helft van de migranten loopt het risico arm te zijn, terwijl dat bij wie hier geboren is, minder dan 5 procent is. Die discrepantie, die alleen in Zweden – een heel klein beetje – groter is (zie grafiek), vloeit rechtstreeks voort uit de arbeidsmarktpositie van migranten.


De relatieve armoedepositie van personen wordt grotendeels op gezinsniveau bepaald. Bij de helft van de migrantenfamilies werkt maar één ouder – vaak de vader. Bij autochtonen is dat aantal gezakt tot een op de vijf. Autochtonen die als koppel wonen, hebben zeven keer minder kans op armoede dan alleenstaanden, bij nieuwkomers valt dat voordeel volledig weg. Nergens in de Oeso zijn migrantengezinnen zo sterk vertegenwoordigd in het laagste inkomensdeciel als in België.

Omdat migranten meer dan gemiddeld een precaire job hebben, bouwen ze minder sociale­zekerheids­rechten op, die recht geven op bijvoorbeeld een werkloosheidsvergoeding of een pen­sioen. Als ze die krijgen, ligt de uitkering gemiddeld stukken lager dan bij autochtonen. Maar vele nieuwkomers vallen terug op het bijstandsstelsel, waarvan het leefloon uitbetaald door het OCMW de bekendste exponent is.


‘Omdat onze sociale zekerheid zo goed is uitgebouwd, zijn er weinig aandacht en geld naar het bijstandsstelsel gegaan’, zegt Marx. Het was nooit bedoeld om een groot deel van de migranten in op te vangen, wél een beperkte groep van mensen die nooit in de arbeidsmarkt zouden kunnen worden ingeschakeld. ‘Het vangnet van de bijstand is niet erg sterk’, aldus Marx. ‘Het zijn ontzettend lage bedragen, die vaak ver beneden de armoedegrens liggen. In vele gevallen gaat het over minder dan 800 euro per maand. In dat inadequate systeem komen veel mensen met een migratieachtergrond terecht.’


Door de lage uitkeringen ligt de armoedegraad ook erg hoog bij mensen die op actieve leeftijd zijn maar geen job hebben. Bij werkloze gezinnen loopt dat op tot 65%. ‘In Nederland ligt dat aantal een stuk lager, omdat de uitkeringen hoger zijn’, aldus Marx.

Bovendien, wijzen experts aan, onderschatten de meeste armoedestatistieken de werkelijke situatie van veel migranten. Die data houden immers bijna nooit rekening met opgebouwd kapitaal, waarop veel meer autochtonen met een laag inkomen wel nog kunnen teren.

Maandag 5.2.2018:De ongelijke barst: hoe de afkomst van tweedegeneratiemigranten hun toekomst bepaalt.